Brief “Visie op Cliëntondersteuning” van VWS heeft weinig nieuws te bieden

27 juni 2011

Voor wie de ontwikkeling van cliëntondersteuning in de GGZ met belangstelling volgt, heeft de brief van de staatsecretaris van VWS ‘’visie op cliëntondersteuning’’ weinig nieuws te bieden. De GGZ komt slechts in één alinea ter sprake, die ik even citeer:
“Met de inwerkingtreding van de WMO zijn ook de subsidiemiddelen voor de steunpunten GGZ overgeheveld naar het gemeentefonds. De gemeenten richten zich vooral op ouderen en mensen met GGZ-problematiek en in mindere mate op gehandicapten waarvoor MEE reeds actief is.”

Einde citaat. Volgens de staatsecretaris richten gemeenten zich vooral op ouderen en mensen met GGZ-problematiek. Dat alle gemeenten al jaren een ouderenbeleid voeren mag bekend zijn, dat er betrekkelijk weinig gemeenten werkelijk een beleid voeren of cliëntondersteuning bieden voor mensen met GGZ-problematiek is blijkbaar bij VWS niet bekend. Wel is de subsidie waar de meeste cliëntgestuurde GGZ-steunpunten uit bekostigd worden bij de invoering van de WMO uit de AWBZ overgeheveld naar gemeenten, maar dat wil niet zeggen, dat gemeenten die middelen ook werkelijk aan ondersteuning voor mensen met GGZ-problematiek besteden. De middelen zijn indertijd niet geoormerkt overgeheveld en gemeenten kunnen de subsidie naar eigen inzichten besteden. Vaak hebben kleinere gemeenten de neiging het beleid voor de doelgroep GGZ over te laten aan de centrumgemeenten in hun regio. GGZ-steunpunten moeten een belangrijk deel van hun kostbare tijd besteden aan het benaderen van vooral kleinere gemeenten om aanspraak te kunnen maken op de middelen, die indertijd vanuit de AWBZ zijn overgeheveld.

Het is triest te constateren, dat dit probleem door VWS niet onderkend wordt. Des te triester omdat het door mensen uit de GGZ-cliëntenbeweging al vaak bij VWS is aangekaart zonder dat dit tot beleidsdaden geleid heeft. Zelf ik herinner ik me, dat ik nog voor de invoering van de WMO al eens een hoge ambtenaar van VWS op de versnippering van middelen voor GGZ-steunpunten gewezen heb. VWS ziet dit probleem niet, omdat het dit niet wil zien. De staatsecretaris redeneert blijkbaar: het ligt bij gemeenten, dus die lossen het ook op.

Deze denktrant zien we ook verder in deze brief. Uitvoerig wordt stilgestaan bij de positie van MEE-organisaties: deze richten zich nu vooral op mensen met een beperking, maar de staatsecretaris acht ook dit in feite een taak voor gemeenten. Blijkbaar gaat zij ervan uit dat de overdracht van taken en deskundigheid van MEE-organisaties naar gemeenten een probleemloze zaak is. Zij zegt: “Door zeggenschap van gemeenten over capaciteit/middelen van MEE gefaseerd te vergroten kan geleidelijk de deskundigheid van MEE worden ingebouwd in het primaire proces bij de gemeenten, bijvoorbeeld door de inzet van de ervaren, al vanuit een brede blik werkende MEE-medewerkers in het WMO-loket.” Ik kan me moeilijk voorstellen, hoe een gefaseerde overgang van cliëntondersteuning van MEE naar een gemeentelijk WMO-loket er in de praktijk uit ziet. Je kunt moeilijk een MEE-organisatie gefaseerd uitkleden in de hoop, dat het rest het nog even uitzingt.

Veel MEE-organisaties zullen dus, als deze visie in beleid wordt omgezet, in zwaar weer terecht komen. Voor GGZ-steunpunten, die nu al een samenwerkingsrelatie met een MEE hebben of bij een MEE zijn ondergebracht (bijvoorbeeld in Arnhem en Groningen) is dit ook slecht nieuws. Jammer dat ook dit nog niet tot VWS is doorgedrongen.


Jaap Croonen,
Zorgbelang Brabant
Voorzitter commissie cliëntondersteuning Vereniging Geestdrift